De zoon van de ambtenaar

De zoon van de ambtenaar

Er was eens een zoon, geboren in een rijk en klein gezin. Zijn vader was ambtenaar, zijn moeder naaide in haar atelier. Ze leefden al jarenlang op een landgoed in het Midden-Oosten. Hans is van kleins af aan geleerd om een prachtige vrouw te vinden en haar te trouwen. “Vind haar zo snel als je kan.’’

Toen Hans klein was, speelde hij wekelijks met de huishoudster buiten. Zo nu en dan maakten ze stiekem een wandeling, ver weg van het landgoed. Hij zag een drie jongens knikkeren, en voordat de huishoudster het door had, deed Hans met ze mee. “Kijk je wel uit! Je schoenen mogen niet vies worden!’’, riep ze bezorgd, terwijl ze schichtig om zich heen keek of niemand zag dat ze ver van het landgoed af waren. Terwijl de jongens geconcentreerd glazen balletjes in een kuil rolden, nam ze de omgeving eens goed in haar op. Een boom, een bankje, een boomhut ergens in het bos… Die boom, die is mooi, vond ze. Hij is vol in bloei, wat opvallend is: de winter komt eraan. Ze bleef naar de boom staren, en opeens hoorde ze: ‘’Wie de regenboog wilt zien, moet de regen trotseren.’’ Het geluid was zo zacht, dat ze zich afvroeg of ze het wel echt had gehoord.

“Ik heb gewonnen!’’, riep Klaas. “Gefeliciteerd. Hoe heet jij?’’ “Klaas, en jij?’’ Hans bestudeerde hem van boven tot onder. Hij had gescheurde kleding aan, en afgetrapte schoenen. “Ik heet Hans, en dit is mijn tweede mama!’’ Hans wees naar de huishoudster. Ze zwaaiden naar elkaar. “Ik speel hier elke week met mijn broertjes, kom je voortaan ook?’’ Hans knikte enthousiast, waarna hij samen met de huishoudster vertrok naar het landgoed.

Op een dag nam Hans zijn vriendje Klaas en zijn broertjes mee naar huis, maar daar waren zijn ouders het niet mee eens. De vreemde jongens werden meteen weer buiten gezet, en Hans bleef met een bedroefd gezicht achter. “Jongens zijn niet om mee te spelen,’’ vertelde vader. “Je neemt enkel meisjes mee naar huis!’’

De jaren vlogen voorbij, maar Hans kon zijn jeugdvriend maar niet uit zijn hoofd zetten. Verschillende meisjes had zijn vader al aan hem voorgesteld, maar geen van hen vond hij leuk.

6 jaar later vroeg vader aan Hans of hij eieren bij de boer verderop wilde halen. De kippen bij hen thuis waren overleden door voedselvergiftiging, en dus hadden ze geen eieren meer. Na lang twijfelen besloot Hans hetzelfde wandelpad te nemen als hij vroeger deed met de huishoudster. Een boom, hetzelfde bankje, en dezelfde boomhut. De knikker-kuil zat er nog, zag hij. Die boom… Die staat in bloei. Dat is vreemd, het is december. Hij keek ernaar. “Wie de regenboog wilt zien, moet de regen trotseren.’’ Wie zei dat? vroeg hij zich af. Hij keek even om zich heen, maar toen hij concludeerde dat hij helemaal alleen was vervolgde hij zijn route naar de boer.

Hij besloot om wekelijks een rondje te wandelen, en tot zijn grote verbazing stemden zijn ouders daarmee in. “Maar…’, begon zijn moeder, “Elke week een uur, en niet langer!’’

Het was juli: alle bomen stonden in bloei, alle vogeltjes floten en twee zwanen genoten van het water in een meertje. De zon scheen in Hans zijn gezicht, terwijl hij neuriënd richting het knikkerveldje liep. Hij hoorde enthousiaste stemmen, en besloot een kijkje te nemen. Toen hij aankwam bij het veldje, zag hij Klaas samen met een meisje. Achter hen speelden twee meisjes met de knikkers, precies zoals Klaas en Hans dat vroeger deden. “Hoi Klaas!’’, riep hij enthousiast richting het bankje. “Hey, Hans!’’ Klaas keek op. “Ik ben zo blij je weer te zien! Dit is mijn zus, en dit zijn mijn twee nichtjes.’’ Klaas wees naar de twee meisjes. Hans kon zijn geluk niet op. Ze spraken af om elkaar in het geheim te gaan zien, wanneer Hans zijn ouders vertelde een rondje te wandelen.

Elke week spraken ze af, en praatten ze over koetjes en kalfjes op het bankje. In de sneeuw, in de brandende zon: er ging geen week voorbij zonder dat ze elkaar zagen. De boom, tegenover het bankje, stond nog steeds het hele jaar door in bloei. “Het gevaar ligt op de loer,’’ hoorden ze alsmaar weer. Ze besteedden er niet veel aandacht aan: het was immers maar een boom met elke week een prachtige raaf erin. “Ik denk dat ik je leuk vind, Hans.’’, bloosde Klaas. “Ik jou ook.’’ Ze kusten.

Altijd loer ik, altijd luister ik,

Wat jij op dat bankje doet,

Alles weet ik, alles onthoud ik,

En vlieg ik terug naar het landgoed,

Want wat jij niet weet, lieve jongen,

Is dat ik jouw ouders inlicht, ongedwongen.

De raaf vloog weg.

Klaas nam Hans mee naar zijn huis: een knusse plek waar hij met al zijn broertjes en zussen woonde. “Mam, pap… Hans en ik, wij vinden elkaar leuk. We hebben verkering’’, vertelde Klaas aan de eettafel, terwijl ze theedronken. ‘’Wat ontzettend leuk voor jullie!’’ “Ik wens jullie heel veel geluk!’’ Er werd boven verwachting enthousiast gereageerd. “Maar Hans, wat vinden jouw ouders daarvan?’’ “Mijn ouders weten niet dat ik Klaas weer zie,’’ biechtte Hans op. “Ik mocht alleen thuiskomen met meisjes, ik durf het ze niet te vertellen.’’ “Ach jongen,’’ begon de vader van Klaas liefkozend, “dat komt nog wel. Geniet nu maar lekker van jullie tijd samen. Jullie worden hier geaccepteerd.’’ Toen hij thuis het erf op liep, zag hij een raaf op het dak zitten. Vreemd, die zitten hier nooit.

Altijd loer ik, altijd luister ik,

Wat jij op dat bankje doet,

Alles weet ik, alles onthoud ik,

En vlieg ik terug naar het landgoed,

Want wat jij niet weet, lieve jongen,

Is dat ik jouw ouders inlicht, ongedwongen.

“Dus, Hans…’’ Zijn vader kwam met een dreigende stem op hem aflopen. “Alleen meisjes mee naar huis nemen, had ik je daar niet jarenlang op gewezen, jongen?’’ “Maar ik…’’ stamelde Hans. “Geen gemaar, jij zit voorlopig in dit huis. Dit had ik niet van jou verwacht. Hoe dúrf je met een jongen te kussen?!’’, schreeuwde zijn vader. “Naar je kamer!’’

De deur schoof zachtjes open. Hans deed zijn ogen open en keek omhoog: zijn moeder stond in de deuropening met een bord in haar handen. “Ik heb wat voor je bewaard. Je kunt niet zonder eten. Hier.’’ Ze gaf Hans de overige worteltjes en wat aardappelen. Ze zakte op de rand van het bed. “De raaf gaf alles wat je besprak en deed met Klaas door aan je vader of mij. Hij had al vermoedens.’’ Hans prakte zijn aardappelen kapot. “Je neemt meisjes mee naar huis, en je trouwt met een van hen.’’ beval zijn moeder hem. Ze liet hem achter met zijn eten, deed de deur ietwat hardhandig dicht en stampte naar beneden.

Wat zal Klaas wel niet denken? Hij is al minstens acht weken niet meer komen opdagen op hun wekelijkse afspraak…

Terwijl Hans ’s avonds in de stille woonkamer een boek aan het lezen was, hoorde hij harde tikken tegen het raam. Wie doet dat nou? Hij ging kijken, en het enige wat hij zag waren knikkers die tegen het raam aan vlogen. Eén van de knikkers had een gat in het raam geboord. Hij bekeek het hele erf, en zag opeens Klaas naast het raam staan. Toen Hans hem binnen fluisterend alles uit had gelegd, besloot hij dat het tijd was om verandering te brengen in de situatie. Een paar dagen later, ontvingen de ouders van Hans een brief. Hans was boven, hij staarde uit zijn raam naar het pak sneeuw wat op het erf lag, en wist maar al te goed wat zijn ouders beneden aan het lezen en bespreken waren. Klaas had een brief geschreven.

“Die jongen is écht verliefd! We gaan hem niet helpen door hem tegen te houden!’’ schreeuwde zijn moeder. “Hoe kan ik mijn reputatie als ambtenaar behouden als mijn zoon er met hetzelfde geslacht vandoor gaat?’’ tierde zijn vader terug. “We moeten hem accepteren zoals hij is!’’ Een klap van een dichtslaande deur verbrak het lawaai en bracht stilte in het huis. De volgende ochtend bij het ontbijt is de sfeer om te snijden. “We stemmen er mee in’’, verbrak zijn vader de stilte. “We accepteren het dat jij iets met Klaas hebt. Maar Klaas moet daarvoor een opdracht uitvoeren.’’ Hans verslikte zich. “M-m-maar.. Wat moet Klaas dan doen?’’ hakkelde hij eruit. ‘’19 rode rozen, en één witte, vind hij binnen 24 uur. De 24 uur gaan in om 7 uur vanavond. Morgenavond om dezelfde tijd moet hij alle twintig rozen voor de deur zetten. Voert hij deze opdracht verkeerd óf niet uit, dan zien jullie elkaar nooit en te nimmer meer terug.’’

De uren verstreken, en Hans beet op zijn nagels van de zenuwen. Het was winter, en dus wist hij dat dit een onmogelijke opgave zou zijn voor zijn vriend. Er bloeide nergens rozen in deze tijd van het jaar, en de oogst was slecht geweest. Hij zou ze nergens vinden.

Klaas dacht peinzend na over de plek waar hij rozen zou gaan vinden. Samen met zijn vader ging hij stad en land af om ze te vinden: 19 rode en één witte. Nadat iedereen hem vertelde dat de oogst slecht was geweest, begon hij de moed langzaam op te geven. Hij had nog anderhalf uur, en kon nergens ook maar één roos vinden. Bedeesd strompelde hij terug naar huis, nog één keer via het knikkerveldje. Hier hebben we elkaar ontmoet. Dit is de plek waar we altijd afspraken, en waar we elkaar nu nooit meer gaan zien… Een traan rolde over zijn rode wang heen. Een raaf kermde wat valse geluiden uit. ‘’Wie de regenboog wilt zien, moet de regen trotseren.’’ Hij hoorde gefluister. De boom, die nog altijd prachtig in bloei stond, zelfs in de winter, blies zijn takken in een en dezelfde richting. Hij likte aan zijn vinger en stak deze in de lucht. Noorderwind, dacht Klaas. Dat leerde hij altijd van zijn vader als ze buiten waren. “Vvvvvvvvvvvolg’’, blies de wind. Er waaide één tak richting de struiken verderop. “Vvvvvvvolg’’, hoorde hij opnieuw. De takken krasten over zijn huid heen. Hij was zo druk met het volgen van het takje, dat hij de struiken even was vergeten. Hij voelde zijn arm branden, en toen hij zijn mouw oprolde bleek dat er een snee zat waar bloed uit druppelde. Hij keek op, en zag voor hem een prachtige open plek in de struiken. Zijn dat nou rozen? Het zal toch niet? Hij liep langzaam wat dichter naar de bloemen toe. Één witte straalde in het midden. Heel wat rode rozen er omheen. Hij keek naar de zon, die stond al aardig laag. Kwart voor zeven, gokte hij. Snel plukte hij negentien rode rozen, en nam de stralende witte ook mee. Terwijl hij uit de struiken klom, hoorde hij: “Vvvveeeeel geluk, jongen,’’ en de zwarte raaf vloog weg terwijl de boom voor het laatst een enorme windvlaag met zich mee bracht.

Hij stond voor het raam, met uitkijk op het erf. Hij kwam niet meer, concludeerde Hans. Drie voor zeven, zag hij op de klok. Hij ging in bed liggen en trok zijn dekens over zich heen. Toen het hele huis stil was, hoorde Hans voetstappen buiten. Één voor zeven, vertelde zijn klok. Hij snelde naar de deur om te horen of er werd opengedaan. Hij hoorde zijn moeder naar de deur snellen. ‘’Oh jeetje..’’ stamelde zijn moeder, “19 rode rozen en één witte roos. Hij houdt echt van hem…’’

De ouders van Hans schreven Klaas een brief terug, waarin zij vertelden de verkering te accepteren en hem en zijn gezin uit te nodigen voor een etentje bij hen thuis. De ouders kenden elkaar nog niet, maar toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten bleek dat de vaders elkaar kenden van vroeger: ze zaten bij elkaar op paardrijden. De gezinnen klikten met elkaar, en Hans en Klaas leefden nog lang en gelukkig…

2000 woorden*

Larissa de Vos

Larissa de Vos | 19 jaar | Mediaredactie-medewerker | Eigenschappen: Spontaan / Creatief / Perfectionistisch.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *